Letselschade van zelfstandigen en uitzendkrachten, door een ongeluk op het werk

In de huidige tijd van voorzichtig economisch herstel, handelen veel werkgevers voorzichtig. Wanneer er extra werk is, is een werkgever momenteel vaak niet op zoek naar een werknemer die hem in vaste diens komt versterken, maar vaak wordt er eerst gezocht naar tijdelijke arbeidskrachten, uitzendkrachten of zzp’ers, in feite een duidelijk teken van de flexibilisering van de arbeidsmarkt.

Binnen de steeds flexibeler wordende arbeidsmarkt in Nederland, wordt de zzp’er steeds meer een spil in het web. Voor werkgevers zijn zij mogelijk zelfs al aantrekkelijker dan uitzendkrachten.[1] Deze ontwikkeling heeft ook gevolgen voor de situatie waarin een werkkracht te maken krijgt met een ongeluk. Een ongeluk op het werk bijvoorbeeld, brengt een werknemer vaak in een moeilijke positie: aan de ene kant wil men de relatie met de werkgever vaak niet op het spel zetten (als deze relatie nog bestaat), aan de andere kant wil men vergoeding voor het leed en de kosten die de gezondheidsklachten met zich meebrengen.

Voor uitzendkrachten en zzp’ers is deze situatie vaak nog lastiger. Uitzendkrachten krijgen vaak met twee partijen te maken, namelijk het uitzendbureau en het bedrijf waar zij feitelijk werkten. Het is daarbij geen uitzondering dat zij van het spreekwoordelijke kastje naar de muur worden gestuurd. Voor zzp’ers geldt dat zij mogelijk hun eigen opdrachtgever moeten aanspreken, waarbij het begrijpelijk is dat een zzp’er bang is daarbij ook diens opdrachtgever als klant kwijt te raken. Het is daarom goed om te weten wat uw rechten als uitzendkracht of zzp’er zijn. Hierna daarover meer.

Welke ‘werkgevers’ kan de uitzendkracht aanspreken voor zijn letselschade?
Wanneer een uitzendkracht een ongeluk overkomt tijdens zijn of haar werk, dan kan hij/zij meerdere personen aanspreken. Allereerst kan dit het uitzendbureau zijn, de “formeel” werkgever. Daarnaast kan de uitzendkracht het bedrijf waar hij of zij feitelijk werkt(e) aanspreken, de “materieel” werkgever aanspreken. Verder komt het wel eens voor dat een uitzendkracht wordt doorgeleend aan nóg weer een ander bedrijf. In die laatste situatie kan de uitzendkracht in principe zowel het uitzendbureau, de “doorlenende” werkgever als het bedrijf waar hij of zij daadwerkelijk werkte aanspreken.[2]

Wat dat betreft heeft de uitzendkracht meerdere keuzes om zijn schade op een partij te verhalen. Een prettige positie, tenminste zo lijkt het. Dit hoeft echter niet het geval te zijn. Het komt namelijk voor dat de uitzendkracht van de één naar de ander wordt gestuurd. Belangrijk is het voor de uitzendkracht om te weten dat hiermee geen genoegen hoeft te worden genomen. Een uitzendbureau moet bijvoorbeeld ook wanneer een uitzendkracht is uitgeleend zorg blijven houden voor de uitzendkracht. Wettelijk gezien kan een uitzendbureau zich niet vrijwaren van deze zorgplicht.[3] Als het uitzendbureau deze verplichting helemaal heeft uitbesteed aan het bedrijf waar de uitzendkracht werkt(e), ook dan blijft de zorgplicht gelden. Als een uitzendkracht een ongeluk overkomt op de werkplek en gebleken is dat het bedrijf waar hij of zij werkte onvoldoende heeft gezorgd voor veiligheid op het werk, dan kan het dus alsnog goed zijn dat het uitzendbureau aansprakelijk is.

Het uitzendbureau houdt niet altijd zelf toezicht op de werkplek van de uitzendkracht, maar zij laat soms over aan (werknemers van) de werkgever waar de uitzendkracht werkt. Als daar fouten worden gemaakt, dan mag de uitzendkracht dit het uitzendbureau ook aanrekenen. De (werknemers van de) werkgever waar de uitzendkracht werkte kan namelijk in veel gevallen als een hulppersoon van het uitzendbureau worden beschouwd. Daarvoor is een uitzendbureau aansprakelijk.[4] In de wetgeving is namelijk uitdrukkelijk aangegeven dat de verschillende partijen als werkgever aansprakelijk kunnen zijn.[5]

Ook het bedrijf waar de uitzendkracht werkt heeft een duidelijke verplichting op zich rusten tegenover de uitzendkracht. Ook dit bedrijf moet er voor zorgen dat de uitzendkracht voldoende veilig zijn werk kan doen, welke verplichting is neergelegd in artikel 7:658 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek. Zo’n bedrijf kan een letselschadeclaim van een uitzendkracht dus niet zomaar doorverwijzen naar het uitzendbureau.

Kan een zelfstandige een ‘werkgever/opdrachtgever’ aanspreken voor letselschade op het werk?
Onder omstandigheden is dit mogelijk. De Hoge Raad heeft op 23 maart 2012 heeft hierover meer duidelijkheid geschapen. Om als zelfstandige een ‘werkgever’ of opdrachtgever aan te kunnen spreken, is vereist dat een zelfstandige zich in een met een werknemer vergelijkbare positie moet bevinden. Het cruciale punt daarbij is dat een zelfstandige voor zijn veiligheid (mede) afhankelijk moet zijn van de ‘werkgever’. Deze veiligheidsafhankelijkheid kan uit meerdere omstandigheden blijken. Zo kan er worden gekeken naar de feitelijke verhouding tussen de zelfstandige en de ‘werkgever, de aard van de verrichte werkzaamheden en de mate waarin de “werkgever”, mogelijk ook via hulppersonen, invloed heeft op de werkomstandigheden van de zelfstandige en op de veiligheidsrisico’s daarbij. Het is hierbij van belang om te vermelden dat niet alleen zzp’ers een ‘werkgever’/opdrachtgever kunnen aanspreken. De zaak bij de Hoge Raad die hiervoor is besproken, ging namelijk over een zelfstandige met een personeelslid. Een interessant detail.

Naast de eis dat de zelfstandige voor zijn veiligheid mede afhankelijk moet zijn van de opdrachtgever, aannemer of ‘werkgever, moeten de werkzaamheden die de zelfstandige verrichtte, plaatsvinden in het verlengde van de beroeps- of bedrijfsuitoefening van de opdrachtgever/’werkgever’. Aan de hand van de omstandigheden moet daarom gekeken worden of bepaalde werkzaamheden feitelijke tot het beroep en/of bedrijf van aannemer/opdrachtgever behoren. In elk geval moet er wel een zeker verband bestaan tussen het werk van de zelfstandige en het bedrijf van de ‘werkgever’.

De ontwikkeling rondom de rechtspraak na het arrest van de Hoge Raad van 23 maart 2012 lijkt gunstig te zijn voor de zelfstandige. Binnen de rechtspraak die na 23 maart 2012 volgde zijn ons geen uitspraken bekend waarbij een aansprakelijkheid van een ‘werkgever’ voor de (letsel)schade van een zelfstandige werd afgewezen.[6]

Anderen dan zelfstandigen en uitzendkrachten
Ook anderen dan werknemers, uitzendkrachten en zelfstandigen kunnen hun ‘werkgever’ aanspreken voor hun letselschade. Denk hierbij aan stagiaires en vrijwilligers.[7] Wel zal de instelling die wordt aangesproken waarschijnlijk (enig) economisch belang moeten hebben.[8] Dat betekent overigens niet dat die instelling, bijvoorbeeld een vereniging of stichting, niet op een andere grond aansprakelijk kan zijn.

Wanneer deze bedrijven er niet in slagen te bewijzen dat u met opzet of met bewuste roekeloosheid voor een groot deel van de schade heeft gezorgd of er niet in slagen te bewijzen dat de bedrijven hun zorgplicht zijn nagekomen, dan zijn de bedrijven in principe aansprakelijk voor uw schade. Bijvoorbeeld uw medische kosten (eigen risico, kosten voor fysiotherapie e.d) moeten de bedrijven of hun verzekering dan betalen. Ook moeten de bedrijven ervoor zorgen dat uw loon volledig wordt aangevuld.

Schade opgelopen tijdens het werk: verband met de werkzaamheden
De werkgever moet in principe tegenover de uitzendkracht, vrijwilliger stagiair en de zelfstandige, die aan de hiervoor weergegeven vereisten voldoet, een zorgplicht hanteren die vergelijkbaar is met de zorgplicht die de werkgever tegenover de werknemer moet hanteren.

Kort gezegd kan een werknemer zijn of haar werkgever aanspreken voor vergoeding van de schade die hij/zij heeft opgelopen tijdens de uitoefening van diens werkzaamheden. Het is aan de werknemer om te bewijzen dat deze tijdens het werk schade heeft opgelopen. Vaak zal dit bij een ongeluk niet erg lastig zijn, maar bij bijvoorbeeld RSI of (asbest)kanker zal een werknemer meer moeite hebben om te bewijzen dat de klachten zijn ontstaan door het werk en niet door iets anders.

Als de werknemer erin slaagt te bewijzen dat hij/zij tijdens het werk schade heeft opgelopen, dan is de werkgever in principe aansprakelijk voor deze schade. Hierop bestaan twee uitzonderingen. Ten eerste kan het zijn dat de schade in grote mate komt doordat een werknemer met opzet of bewust roekeloos heeft gehandeld. Deze uitzondering komt niet vaak voor

De tweede uitzondering komt vaker voor: de werkgever heeft aan zijn zorgplicht voldaan. Wanneer een werkgever zich beroept op een van deze uitzonderingen, dan zal de werkgever ook moeten bewijzen dat de uitzondering zich voordoet. In de wet is geregeld dat een werkgever het redelijkerwijs nodige moet doen om te voorkomen dat er op het werk ongelukken ontstaan. Daarom moet de werkgever risico’s op het werk goed in kaart brengen en, voor zover mogelijk, zorgen voor verbetering van de veiligheid.

Daarbij moet de werkgever allereerst zoveel mogelijk ervoor zorgen dat de werkplek zelf veilig is. Is dit niet mogelijk, dan moet de werkgever ervoor zorgen dat de werknemers goede instructies krijgen om veilig te werken. Dit moeten wel zinvolle instructies zijn. De gegeven instructies moeten het gevaar kunnen afwenden.

Als de werkgever de werknemer goede instructies heeft gegeven, betekent dit nog niet dat de werkgever zijn zorgplicht tegenover de werknemer is nagekomen: De werknemer moet de instructie namelijk van tijd tot tijd herhalen en er op toezien dat de instructie wordt nageleefd, ook (en zeker) bij ervaren werknemers die vaak hetzelfde werk doen en dan niet altijd “volgens het boekje” werken.[9]

De werkgever moet dus toezien en toe blijven zien op de veiligheid binnen zijn bedrijf: werkzaamheden veranderen soms, en daarmee ook de veiligheid op het werk over het algemeen.

Wanneer een werkgever er het redelijkerwijs nodige aan heeft gedaan om ongevallen op het werk te voorkomen, dan is de werkgever niet aansprakelijk. De aansprakelijkheid van de werkgever heeft dus grenzen, maar de aansprakelijkheid van de werkgever gaat erg ver. De conclusie dat een werkgever een ongeval niet heeft kunnen voorkomen kan dan ook eigenlijk pas na een goede beoordeling worden getrokken.

Ongelukken van uitzendkrachten, zelfstandigen, vrijwilligers en stagiairs in het verkeer
Werkgevers zijn verplicht om voor hun werknemers een behoorlijke verzekering af te sluiten wanneer de werknemers voor hun werk deelnemen aan het verkeer.[10] Ook is voldoende dat de werkgever de werknemer financieel in staat stelt om zelf een goede verzekering af te sluiten. Als de werkgever dit nalaat, kan aanspraak worden gemaakt op de aansprakelijkheidsverzekering van de werkgever.[11] De hiervoor genoemde verplichting van de werkgever geldt niet wanneer een werknemer als voetganger eenzijdig een ongeluk overkomt.

Wanneer een uitzendkracht, vrijwillige, stagiair of zelfstandige voor zijn werk voor een ‘werkgever’ of opdrachtgever deel moet nemen aan het verkeer, zijn er goede redenen om aan te nemen dat de ‘werkgever er ook dan voor moet zorgen dat de personen die voor hem of haar werken goed verzekerd zijn in het verkeer.[12] Verder geldt dat wanneer een uitzendkracht tijdens werktijd een ongeval overkomt in het verkeer, de uitzendkracht waarschijnlijk zowel het uitzendbureau als het bedrijf waar hij daadwerkelijk voor werkt aansprakelijk kan stellen.[13]

Vragen?
Wanneer u te maken krijgt met een ongeluk op het werk, dan bestaat er een grote kans dat iemand aansprakelijk is voor uw schade. In de wet is geregeld dat iemand die zijn schade wil verhalen, daarvoor in principe recht heeft op kosteloze juridische bijstand. De gemaakte kosten van juridische bijstand moeten worden vergoed door de aansprakelijke partij.

Neemt u gerust geheel vrijblijvend contact op met de juristen van Schut|Oosting Letselschade. De medewerkers van Schut|Oosting Letselschade werken landelijk en bespreken de situatie graag met u. Schut|Oosting Letselschade is aangesloten bij Stichting Keurmerk Letselschade.

 

 

[1]Zie bijvoorbeeld:  http://www.volkskrant.nl/vk/nl/5273/Werk/article/detail/3654194/2014/05/13/Zzp-er-wordt-meer-gevraagd-door-werkgever-dan-uitzendkracht.dhtml
[2]Zie ook Rechtbank Rotterdam 10 oktober 2006, ECLI:NL:RBROT:2006:AZ1133.
[3]Artikel 7:658 lid 3 Burgerlijk Wetboek.
[4] Artikel 7:658 lid 2 in samenhang met art. 6:76 Burgerlijk Wetboek. Zie ook Hoge Raad 14 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0657 rechtbank Rotterdam 10 oktober 2006, ECLI:NL:RBROT:2006:AZ1133.
[5]Kamerstukken Tweede Kamer 1997/1998, 25 263, nr. 14.
[6] Zie rechtbank Oost-Nederland 28 maart 2013, ECLI:NL:RBONE:2013:BZ5803, hof  ‘s-Hertogenbosch 16 april 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ8300, rechtbank Gelderland, zetelplaats Arnhem, 12 februari 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:1966, rechtbank Den Haag 1 juli 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:8149 en hof Arnhem-Leeuwarden, zetelplaats Leeuwarden 21 oktober 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:8068
[7] Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem 11 januari 20014, ECLI:NL:GHARN:2005:AS2588 en rechtbank Oost-Brabant, zetelplaats Den Bosch, 5 maart 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:982.
[8] Rechtbank Utrecht 14 december 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BZ1412.
[9] Hoge Raad 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7590.
[10] Artikel 7:611 Burgerlijk Wetboek en  bijvoorbeeld HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5215.
[11] Hoge Raad 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1295.
[12] Zie rechtbank Midden-Nederland, zetelplaats Utrecht, 17 juli 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:2855 en rechtbank Limburg, zetelplaats Roermond 25 juni 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:5612.
[13] In het kader van de hiervoor omschreven verzekeringsplicht stelt de rechtbank Limburg namelijk het volgende: “Daarbij staat niet ter discussie dat [verzoeker], als werknemer, de keuzevrijheid heeft om zijn formele werkgever (Doen Uitzendorganisatie) dan wel zijn materiële werkgever ([X]) aan te spreken voor schade die hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt”. Rondom de ongelukken op de werkvloer was dit al een duidelijk wettelijk punt (art. 7:658 lid 4 Burgerlijk Wetboek). Dat de rechtbank Limburg deze keuzevrijheid ook noemt in het kader van de behoorlijke verzekeringsplicht voor ongevallen in het verkeer tijdens werktijd (art. 7:611 Burgerlijk Wetboek) kan volgens ons als “verhelderend” worden beschouwd.