Van achteren aangereden bij inparkeren

Op 3 december 2006 vond er in Den Haag een aanrijding plaats tussen twee automobilisten. Automobilist 1 (daar bekend) reed op een doorgaande weg, met aan het linker deel van de rijstrook tramrails. Achter hem reed automobilist 2. Het was op dat moment donker en het wegdek was nat. Links naast die tramrails waren haaks op de weg parkeervakken gelegen. Automobilist 1 wilde daar parkeren. Automobilist 1 gaf daarvoor richting aan en op het moment dat deze het parkeervak in wilde rijden wilde automobilist 2 remmen, maar deze gleed naar eigen zeggen door op de gladde tramrails in de weg. Automobilist 2 kon niet meer op tijd stoppen, met een aanrijding als gevolg. Bij dit ongeluk liep de bestuurder van auto 1 letsel op.

Voor de schade die door het ongeluk wast ontstaan, stelde automobilist 1 (de verzekeraar van) automobilist 2 aansprakelijk. De verzekering erkende dat automobilist 2 aansprakelijk was voor de letselschade van automobilist 1, maar stelde dat automobilist 1 eigen schuld had. In goed overleg kwamen de verzekeraar van automobilist 2 en het slachtoffer er niet uit. Automobilist 1 ging dan ook naar de rechter en spande een procedure aan.[1]

De advocaat van de verzekeraar stelde namelijk dat  automobilist 1 met gelijke snelheid doorreed tot aan het parkeervak, dat hij pas op het laatste moment zijn richtingaanwijzer aan deed en tegelijkertijd in een plotselinge beweging al remmend zijn auto naar links zou hebben gedraaid. Volgens de verzekeraar had automobilist 1 anders moeten handelen.

Artikel 54 RVV
De verzekeraar deed daarbij een beroep op artikel  54 van  het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV) en gaat over bijzondere verrichtingen. Hierin staat het volgende vermeld:

“Bestuurders die een bijzondere manoeuvre uitvoeren, zoals wegrijden, achteruitrijden, uit een uitrit de weg oprijden, van een weg een inrit oprijden, keren, van de invoegstrook de doorgaande rijbaan oprijden, van de doorgaande rijbaan de uitrijstrook oprijden en van rijstrook wisselen, moeten het overige verkeer voor laten gaan.”

De verzekeraar stelde op basis van deze wet dat automobilist 1 automobilist 2 voorbij had moeten laten gaan of hij had volgens de verzekering in elk geval moeten controleren of automobilist 2 hem de tijd en ruimte gaf om in te parkeren. In ieder geval, aldus de verzekering, had automobilist 1 vanwege de duisternis, het weer, de trambaan en zijn plaatselijke bekendheid zijn snelheid moeten aanpassen en op tijd aan moeten geven dat hij wilde afslaan.

Als reactie hierop stelde de advocaat van de automobilist 1 dat er geen wettelijke plicht is om te wachten met parkeren, dat hij na het wegrijden van de vorige kruising richting had aangegeven en langzamer was gaan rijden. De advocaat vond dat automobilist 1 geen eigen schuld had.

De rechtbank oordeelde dat het automobilist 1 niet verplicht was om automobilist 2 voorbij te laten gaan. Volgens de rechtbank Den Haag is daarvoor geen wettelijke plicht, ook niet  artikel 54 RVV. De rechtbank oordeelde dat hoewel de in artikel 54 RVV genoemde bijzondere verrichtingen niet uitputtend zijn, het inparkeren van automobilist kon niet worden gezien als een bijzondere manoeuvre als bedoeld in artikel 54 RVV. In artikel 54 RVV gaat het namelijk om bijzondere verrichtingen waarbij de bestuurder zich vanuit stilstand of vanuit de huidige verkeersstroom wil invoegen in andere verkeersstroom. In zo’n situatie moet een bestuurder het andere verkeer voor laten gaan. De rechtbank oordeelde dat het inparkeren van automobilist iets heel anders was: hij wilde dan wel “zijn eigen verkeersstroom”  verlaten, maar voegde niet in bij ander verkeer. Hij ging parkeren. Automobilist 1 was dan ook niet verplicht om automobilist 2 voor te laten gaan.

Artikel 5 WVW
Verder deed de advocaat van de verzekeraar nog een beroep op artikel 5 Wegenverkeerswet (WVW). Zoals gezegd had automobilist volgens de verzekeraar anders/voorzichtiger moeten handelen. Volgens de verzekeraar zou automobilist met ongeveer 50 km/u zijn doorgereden, pas op het laatste moment zijn richtingaanwijzer hebben uitgedaan en ook meteen een beweging naar links hebben gemaakt om in te parkeren. Dit werd door automobilist 1 ontkend en betwi

In artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 (WVW) staat het volgende vermeld:

“Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.”

Omdat de verzekeraar stelde dat de automobilist eigen schuld had en artikel 5 WVW had overtreden en omdat automobilist 1 dit ontkende en betwistte, oordeelde de rechtbank dat de verzekeraar moest bewijzen dat zij gelijk heeft. De verzekering mag daarom getuigen gaan horen.

Slaagt de verzekeraar er niet in om dit alles te bewijzen, dan is de verzekering volgens de rechtbank Den Haag volledig aansprakelijk voor de letselschade van automobilist 1. Als het bewijs nog wel zou worden geleverd, dan is er enige mate van eigen schuld. Hoeveel dat dan is, dat moet dan verder worden bepaald.

Vragen?
Heeft u een ongeluk gehad en hulp nodig bij het verhalen van uw kosten en schade? Neemt u dan gerust eens contact op met de juristen van Schut | Oosting Letselschade. Zij lichten u geheel vrijblijvend voor over bijvoorbeeld de vraag of er iemand anders aansprakelijk is voor uw schade en of u recht heeft op vergoeding van uw onkosten.

Als iemand anders aansprakelijk is voor het ongeluk dat u heeft gehad, heeft u op basis van de wet recht op juridische bijstand om uw schade te verhalen. Rechtshulp na een ongeluk hoeft u dus niets te kosten.

Ook wanneer u eigen schuld heeft bij een ongeluk of zelf volledig verantwoordelijk bent voor het ontstaan van het ongeluk kan het zijn dat u recht heeft op schadevergoeding en kosteloze juridische hulp bij het verhalen ervan.

[1] Rechtbank Den Haag 15 april 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:4709.