Werknemer in het verkeer en de verzekeringsplicht van de werkgever

Wanneer een werknemer voor zijn werk deelneemt aan het verkeer, rust er op de werkgever in principe de plicht om voor deze werknemer een behoorlijke verzekering af te sluiten. Deze verzekeringsplicht houdt in dat werknemers verzekerd worden tegen de schade die zij kunnen oplopen tijdens hun werk in het verkeer, ongeacht de vraag of er iemand anders aansprakelijk is voor het ontstaan van een ongeluk. Deze verplichting vloeit voort uit art. 7:611 en art. 6:248 van het Burgerlijk Wetboek (BW).[1]

Beperkingen
De verzekeringsplicht van een werkgever kent beperkingen. Zo geldt de verzekeringsplicht van de werkgever slechts voor ongelukken die zijn ontstaan in de uitoefening van de werkzaamheden van de werknemer. Woon-werkverkeer valt daarom in principe buiten de verzekeringsplicht van de werkgever. Soms kan het echter zijn dat er bij bepaald woon-werkverkeer toch een plicht is van een werkgever om een behoorlijke verzekering af te sluiten voor zijn werknemer in het verkeer.[2]

Daarnaast is de verzekeringsplicht van de werkgever beperkt tot enkele vormen van ongelukken, namelijk tot gevallen waarbij een werknemer als bestuurder van een motorvoertuig betrokken raakt bij een verkeersongeval, als fietser of voetganger schade lijdt  door een ongeluk waarbij een of meer voertuigen zijn betrokken, of als fietser schade lijdt als gevolg van een eenzijdig fietsongeval.[3] De verzekeringsplicht geldt overigens niet voor ongelukken waarbij een voetganger eenzijdig komt te vallen.

Omvang behoorlijke verzekeringsplicht
Wat exact onder een behoorlijke verzekering wordt verstaan, is een vraag die juridisch nog niet helemaal helder is en soms ook van geval tot geval kan verschillen.[4] Wel is het zo dat werkgevers vaak voor hun werknemers in het verkeer een zogeheten SVI-verzekering (Schade Verzekering Inzittenden) afsluiten. Kort weergegeven is dit een verzekering die de schade van het slachtoffer vergoedt alsof er iemand anders aansprakelijk was voor het ontstaan van het ongeluk. Ook heeft men in principe op basis van deze polis kosteloze buitengerechtelijke juridische bijstand om de schade te verhalen en vergoed te krijgen.

Als de werkgever geen verzekering voor zijn werknemers in het verkeer heeft afgesloten, of deze verzekering is niet behoorlijk genoeg, dan is de werkgever voor het ontbreken van deze verzekeringsdekking aansprakelijk. Deze aansprakelijkheid is dan beperkt tot het bedrag dat de werknemer vanuit een behoorlijke verzekering zou hebben ontvangen.[5]

Verzekeringsplicht voor anderen dan directe werknemers
Over de vraag of de verzekeringsplicht van de werkgever tegenover anderen dan de eigen werknemers kan gelden, zoals tegenover uitzendkrachten, stagiaires, vrijwilligers of zzp’ers, het volgende.

Aan de ene kant is de huidige rechtspraak op het punt van de verkeersverzekeringsplicht van de werkgever met name gebaseerd op art. 7:611 BW. Aan de andere kant, in de rechtspraak die als één van de eerste aanzetten tot het huidige systeem op het punt van de behoorlijke verzekeringsplicht van de werkgever heeft geleid, wordt meer algemeen over de redelijkheid en billijkheid gesproken als grond voor de behoorlijke verzekeringsplicht van de werkgever.[6] De in art. 6:248 lid 1 BW aangehaalde redelijkheid en billijkheid wordt verder uitdrukkelijk besproken in een ander bepalend arrest.[7]

Ook is het zo dat voor meer wetsartikelen die gaan over bescherming van werkkrachten geldt dat dezen qua inhoud niet alleen gelden voor werknemers, maar ook voor mensen die niet op basis van een arbeidsovereenkomst werken.[8]

Een verdere aanwijzing om aan te nemen dat deze werking ook geldt voor de verzekeringsplicht van de werkgever van art. 7:611 BW is ook te vinden in een uitspraak van de rechtbank Limburg. In die zaak ging het om een kwestie waarin een uitzendkracht een ongeval in het verkeer was overkomen en de aansprakelijkheid op grond van art. 7:611 BW werd beoordeeld. Los van de verdere inhoud van de uitspraak is het interessant om te lezen dat de rechtbank, althans rond deze zaak, aangaf dat niet ter discussie stond dat de uitzendkracht de keuzevrijheid had om zijn formele werkgever (het uitzendbureau) dan wel zijn materiële werkgever (het bedrijf waar de uitzendkracht feitelijk werkte) aan te spreken voor schade die hij in de uitoefening van zijn werk leed.[9]

Ook een vonnis van de rechtbank Arnhem wijst in dezelfde richting als het vonnis van de rechtbank Limburg. In de zaak die bij de rechtbank Arnhem diende, had een werknemer tijdens zijn werk een ongeluk in het verkeer gehad. Voor de letselschade die hij had opgelopen stelde hij onder meer het bedrijf aan waaraan het uitzendbureau hem had uitgeleend.

Over de aansprakelijkheid van dit zogeheten inlenende bedrijf was de rechtbank in Arnhem van oordeel dat de inlenende werkgever verplicht was om ervoor te zorgen dat er voor deze uitzendkracht een behoorlijke verzekering was afgesloten voor het geval deze een ongeluk zou krijgen in het verkeer. De inlenende werkgever had óf zelf een behoorlijke verzekering moeten afsluiten voor de werknemer of na moeten gaan óf zo’n verzekering door het uitzendbureau voor de uitzendkracht was afgesloten. Als het uitzendbureau dan geen behoorlijke verzekering had afgesloten voor deze werknemer, dan had het inlenende bedrijf zelf maatregelen moeten treffen voor een behoorlijke verzekering van de uitzendkracht in het verkeer. [10]

Wat ons betreft zijn er op basis van bijvoorbeeld de hiervoor genoemde zaken goede gronden om aan te nemen dat de behoorlijke verzekeringsplicht ook geldt tegenover personen die in een met werknemers vergelijkbare positie verkeren. We noemden daarbij al het voorbeeld van de uitzendkracht, maar hetzelfde zou wat ons betreft kunnen gelden voor een vrijwilliger, stagiair of zzp’er.[11]

Vragen?
Wanneer u te maken krijgt met een ongeluk op het werk, dan bestaat er een grote kans dat iemand aansprakelijk is voor uw schade. In de wet is geregeld dat iemand die zijn schade wil verhalen, daarvoor in principe recht heeft op kosteloze juridische bijstand. De gemaakte kosten van juridische bijstand moeten worden vergoed door de aansprakelijke partij.

Neemt u gerust geheel vrijblijvend contact op met de juristen van Schut|Oosting Letselschade. De medewerkers van Schut|Oosting Letselschade werken landelijk en bespreken de situatie graag met u. Schut|Oosting Letselschade is aangesloten bij Stichting Keurmerk Letselschade.

[1] Zie onder meer 9 augustus 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2113, HR 1 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB6175 en HR 1 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB4767.
[2] HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG7775 (Autoster/Hendriks)
[3] HR 12 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3129 en HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5215.
[4] In de jurisprudentie is dit verder onderwerp van debat. Zie actueel daarover onder meer hof ‘s-Hertogenbosch 10 februari 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:428.
[5] HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5215.
[6] HR 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9434.
[7] HR 9 augustus 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2113.
[8] Zie onder meer wat dat betreft art. 7:658 BW en het arrest HR 15 juni 1990, NJ 1990, 716 ECLI:NL:HR:1990:AC4217. Deze jurisprudentie is een aanzet geweest tot invoering van art. 7:658 lid 4 BW.
[9] Rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, ECLI:NL:RBLIM:2014:5612.
[10] Rechtbank Arnhem 12 november 2010, ECLI:NL:RBARN:2010:BP2572.
[11] Recent diende er bij de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, een zaak die tot onderwerp had of voor een zzp’er de behoorlijke verzekeringsplicht ook gold. Om procestechnische redenen nam de rechtbank daarover geen besluit. Zie rechtbank Midden-Nederland 17 juli 2013, zittingsplaats Utrecht,  ECLI:NL:RBMNE:2013:2855.